|
Kanoverhalen van
KanoClub Zeeland
Een zeepaardje op nieuw
land
Door Cees Maas
Nauwelijks hebben de grote zandplaten de kop boven de Noordzeegolven
gestoken of er is alweer een groep van bestuurders gevormd om verboden te
maken. Voor watersporters, vissers, zeekayakkers en ander verondersteld
natuurvijandig tuig. Op tijd om het laatste gebied in Nederland waar niets
is
geregeld, onder regeltjes te bedelven. De nieuwe waddenkust in wording
voor de
Zeeuwse en de Zuidhollandse kust. Een paradijs, die Voordelta. Op
expeditie
dus, nu het nog mag. Met de zee in je bloed naar het laatste stukje wild
Nederland.
Blinkend water rond mijn kayak. De Noordzeekust ligt vijf kilometer achter
me. Hier is het zo leeg, zo vreemd stil. Terwijl daar ver weg op de drukke
Brouwersdam het zonnetje lichtsignalen spiegelt op de voorruiten van
poenerige
campers. Maar ik ben helemaal alleen op deze luie deining, die me wiegt en
me
slaperig maakt.
Wat is het toch dat mensen steeds weer
doet verlangen naar de zee? Waarom
staan ze daarginds met honderden op een kluitje op die dam? De toeristen
met
hun plastic stoeltjes ze zouden in die zee gaan zitten als ze er niet nat
van
werden. En waarom voel ik zelf altijd die aangename lichtheid in mijn
hoofd, in
deze kleine boot, veel te ver uit de kust om me zwemmend te kunnen redden
als
alles misgaat?
Is het wat die Amerikaanse biologe
Rachell Carson beweert, dat diep in ons
een onbewust, maar brandend verlangen leeft naar onze moeder, de zee?
Omdat het
protoplasma in onze cellen nog dezelfde samenstelling zou hebben als in
die
eerste eencellige wezentjes die zich twee tot drie miljard jaar geleden in
de
zee vormden?
Is het de bloedband? Omdat de kalium-, natrium- en calciumzouten in ons bloed
in exact dezelfde verhoudingen voorkomen als in zeewater? Het antwoord
waait
weg in de wind. Vraag het de zee, en het antwoord is een breekgolf over je
voordek.
De eb trekt meer plaat bloot. Zo moet
Zeeland zijn ontstaan. Als een ruige
bonk zand die zich langzaam uit de Noordzee wringt. Emergo.
Nieuwe stromingen hopen elders zand op, de diepe stroomgeulen tussen de
zandbanken en de kust verzanden, de bodem vervlakt. Het is het begin van
een
nieuw voedselrijk leefgebied voor zeezoogdieren, vissen, vogels en
planten. Een
waddengebied ontstaat. Alles verandert.
Dan komen de zakenlui. Hoteliers,
campingbazen. Pleziervaarders willen er
hun jachtje droog laten vallen, groepen wadlopers staan te popelen aan de
kust.
Je treft er steeds minder wormenhoopjes aan, steeds meer lege colablikjes.
De vissers. Die hebben al claims gelegd. Ze beroepen zich op historische
rechten, want ze hebben hier altijd gevist. De overheden voelen alleen
niets
voor de schrapende korren van de vissers. Er komt een visverbod. Een hard
gelag, want de Voordelta hoort tot de belangrijkste visgronden in
Nederland. De
commerciële waarde van de vangsten (vooral kokkels en garnaal) bedroeg de
afgelopen jaren 140 miljoen gulden.
De Beleidsnota Voordelta, het officiële
stuk waar allerlei verboden in
staan, zal eind januari wet worden. Dat stuk klemt tussen het elastiek op
mijn
voordek. Ik wil zien waar ze over schrijven. De plastic kaft van die nota
over
de Voordelta is bespat met druppels uit de Voordelta. Het wordt een
vochtig
huwelijk van theorie en praktijk, vandaag.
Het gebied beslaat ongeveer negenhonderd (!) vierkante kilometer en is
ontstaan nadat de Deltawerken de zeearmen hebben afgesloten. Eigenlijk is
het
simpel, kijk maar op mijn zeekaart. De kustlijn tussen de Maasvlakte en
Westkapelle trekt zich recht. Het is niet te verwachten dat de strook voor
de
kust helemaal zal droogvallen, althans niet in de komende dertig jaar. Dit
gebied is in tien jaar ontstaan. Rijkswaterstaat noemt het `een voor
Nederland
uniek ecologisch systeem.`
Ik vraag me af wat er te vinden zal zijn
op die barre platen, zo ver uit de
kust. Want om er te komen moest ik vanaf die Brouwersdam toch een klein
uur
redelijk doorpeddelen. Peddelen op weg naar niets, want de banken staan
nog
onder. Met kompaskoers 330, heb ik uitgerekend, moet ik midden op de
grootste
plaat, de Aardappelenbult, aankomen. Er wordt gerept van zeehonden, van
rijk
natuurlijk leven. Van een kraamkamer voor vis. E‚n maatregel betreft
betredingsverboden van de zandbanken. Om niets te verstoren.
Op weg naar wat de zee gaat onthullen.
Een briesje schuin achterop, mijn
lichaam wiegt al snel in de cadans van de zee. De kayak snijdt als een mes
door
de golven. Die doen me niets, want mijn boot is speciaal. Gemaakt naar
eeuwenoud model van de zeekayaks van de Aleoeten, een archipel tussen
Siberi‰
en Alaska. Gemaakt voor een onberekenbare zee. Een boot met meer zee in
z`n
ziel dan ik ooit zal bevaren.
Aan de rare stroming merk ik het eerst
dat de banken bloot komen.
Fonteintjes zee spuiten loodrecht omhoog, getijdestromen botsen boven het
opkomend zand. Een visdiefje duikt visjes van zilverpapier op, van verweg
klinkt de machtige stoot van een zeeboot. Ik ben te vroeg, en tast naar de
thermosfles. Achterovergeleund koffiedrinken op een enorm plaatstalen
meer, ver
weg van alle drukte. Op een slome zee, wachten op het bloot komen van de
Aardappelenbult, dat heeft wel wat. Het tegenovergestelde van pleinvrees
is
altijd weer zo`n buitengewoon prettige gewaarwording. Ruimtevreugd,
bestaat dat
woord?
Licht dobberend luister ik naar hoe de zee zingt. Warempel, dat kan. De
zeezeiler en journalist Rob Rijnsdorp heeft serieus onderzocht of de zee
zingt,
en of het een beetje klinkt. Hij nam zeegeluid op, op een bandje, en liet
het
analyseren door een technisch aangelegde muzikale vriend. Die filterde
ruis en
andere bijgeluiden weg en hoorde toen een melodietje in heldere` zeer
zuivere
tonen. Een ritme dat zich steeds herhaalde. De vriend zette het lied van
de zee
op een notenbalk en Rijnsdorp schreef daarna: `Het water zingt in E
majeur.`
Mooi. Ik ben niet overdreven muzikaal en
hoor alleen gekabbel, maar
luisteren wordt belangrijk in deze Voordelta. Want een van de middelen die
politici gaan gebruiken om ongewenste ontwikkelingen hier tegen te gaan,
bestaat uit het instellen van zogeheten stiltegebieden. Dan heerst er een
verbod op het maken van lawaai, wat automatisch activiteiten van vissers
en
veel watersporters uitsluit.
De plaat ligt droog. Kwabbige hopen
blauwe kwal liggen als geeldooraderde
puddingen te trillen op de wind. Ik stap uit de kayak en het donkerbruine
zand
zuigt zich zompig om m`n voeten. Een schelprand schramt zacht mijn grote
teen.
Welkom op de Aardappelenbult.
Wat is hier te zien? Struikel ik
voortdurend over allerlei `natuurlijke
rijkdommen?` Sla ik op slag blind van `de hoge natuurwaarde` hier? Breek
ik een
been aan een verdekt opgesteld `uniek ecologisch systeem?`
Het is geen vlakke zandplaat, dat niet. De bank glooit, is doorsneden met
vingerdiepe riviertjes zee, die ruisend de laatste restjes water afvoeren.
De bulten zijn pakweg een meter hoger dan de laagwaterlijn. Hun toppen
zijn
donkerder dan de valleitjes. Er is veenafzetting. Zonder zoutminnende
pionierplantjes nog, die het zand vasthouden en de plaat ophogen, maar wel
al
met geultjes. Ik sta op het fundament van een groot schor.
De plaat is veel groter dan ik
verwachtte. Zeker drie kilometer lang, hij
ligt als een grote halve maan in de zee, met de bolle kant naar Engeland
en de
punten beschermend rond het nieuwe ondiepe gebied.
`Je moet gaan met de natuur, jongen,` De
oude, ervaren zeekayakker
fluisterde het me die avond toe. Nooit tegen de Noordzeestroom invaren,
dat
bedoelde hij ook. Ik zet me in het natte zand en blader in de nota, wat
die
zegt over `gaan met de natuur.` Maar niets, hoofdstuk na hoofdstuk droge
feitjes, niets bespiegelends, geen filosofie, geen echt waarom, eigenlijk.
Gewoon: dit is natuur, en wel hierom, het heeft dus waarde en we nemen aan
dat
het bedreigd wordt. Het laatste hoofdstuk is de ware ambtelijke finale: De
lijst met te treffen maatregelen die allemaal op hetzelfde neerkomen.
Mensen
weren.
Als je hier om je heen kijkt in het
gebied, en vervolgens die kille taal
leest, lijkt het ‚‚n nauwelijks met het ander verbonden. Vorige week:
een
zeehond zwom nieuwsgierig en vrolijk woefend een stukje met ons groepje
kayakkers mee. Hij (of zij) gaf bijna kopjes tegen de peddels. Volgens
deze
nota kan dat helemaal niet, zijn mensen zwaar verstorend en jagen ze
zeehonden
alras op vlucht en in de stress. We moeten dus wel een krankzinnige
zeehond
hebben getroffen, die zo gek was dattie mensen leuk vond.
Mensen weren. Daarin schuilt ook gevaar.
De platen in de Oosterschelde zijn
nu al verboden gebied. Oude mannetjes, die hun hele leven zeekraal en
lamsoren
hebben gesneden op de schorren, mogen er niet meer komen en ze begrijpen
er
geen barst van. De eerste illegale snijders zijn al gepakt.
Het gevaar van al dat verbieden is dat je gebieden juist aantrekkelijker
maakt om te bezoeken. Het gevaar ook is dat het publiek vervreemdt van de
natuur als ze het nooit meer mogen zien. En waar blijf je dan met dat
moeizaam
aangekweekte milieubewustzijn?
Een verkenningtocht over het nieuwe
eiland brengt je allerhande. Overal trap
je in de donkere krullenhoopjes van de zeepieren. In vergeten dalletjes
staan
plasjes, het zindert er van de millimetergarnaaltjes. En schelpen. Die je
zelden op strand tegenkomt. Tientallen hele mesheften, de tere schalen van
gemarmerd lichtbruin. Aan de kust vind je ze slechts in scherven. Overal
ook,
zie ik witte bobbelschildjes van zeeappeltjes.
In een plasje ligt een dikke schol de
nieuwe vloed af te wachten. Wat een
sufkop. Die was gewoon te stom om tijdig te vluchten, hij heeft geluk
gehad met
al die meeuwen hier. Voorzichtig schuif ik mijn hand onder de ijskoude
vis. Hij
verstart wanneer ik hem optil en naar de zee draag. Dan, een glinstering,
golvende bruine vinnen, en een stomme schol zwemt naar waar hij hoort.
Pieter de Haas, de eigenaar van een
zeekayakschool in de buurt, haalde
vorige week een gewonde jonge zilvermeeuw uit het water. Het beest was
onderkoeld en zou zeker zijn doodgaan. De man wikkelde het diertje
voorzichtig
in zijn trui en voer er vijf koude kilometers tegen windkracht vijf mee om
het
op de kant te brengen.
Zulke mensen zijn milieuverstorend, redeneren de ambtenaren, en mogen hier
niet meer komen. De Haas verliest wel zijn werkgebied, want vanuit heel
Nederland en daarbuiten ook komen ze om met zijn school juist in die
Voordelta
te varen. Ik begrijp het ergens wel, maar het verbod is voor ons soort
mensen
buitengewoon treurig." Hij zei het ook buitengewoon treurig.
In Engeland doen ze het anders. Daar
hebben zeekayakkers afgesproken met de
overheid dat ze de vogelrijke klippen zullen mijden in het broedseizoen.
En
daar is nog een beetje meer natuur dan hier langs die schrale kust. Men
houdt
zich eraan, en het werkt. Al jaren.
Op de vloedlijn ligt een dood zeepaardje.
Zowaar een dood zeepaardje. Grijs,
stinkend, bijna groen, deels verrot en aangepikt door de vogels, maar toch
een
zeepaardje. Die heb ik sedert mijn jeugd nooit meer in het wild gezien.
Alleen
in aquaria zweven die onwerkelijke sprookjeswezentjes nog langs het glas.
Mantelmeeuwen, zilvermeeuwen, aalscholvers, scholeksters, de plaat krioelt
er nu van. Ze pikken in het zand, naar wormen, schelpdiertjes, het grote
schransen is begonnen. Hoelang is het geleden dat je zoveel aalscholvers
op zee
zag? Tien jaar terug werden vogelkenners lyrisch wanneer ze een exemplaar
in de
kijker kregen. Nu staan de aalscholvers in groepjes arrogant toe te kijken
hoe
ik mijn boterham pindakaas eet.
Overal beweegt wel iets. En niet alleen
op het zand. Hyperöactieve
visdiefjes duiken met tientallen tegelijk in het water. Dat duidt op een
grote
school vis. Wat een lege plaat moest zijn, blijkt te zoemen van allerlei
leven.
Dit hier is wat biologen aanduiden met `wetland`, een naam voor een
belangrijk
nat natuurreservaat, onder internationale bescherming.
In de nota lees ik dat de aantallen
vogels hier zo hoog zijn dat voor acht
vogelsoorten die wetlandönorm al wordt overschreden. De biomassa van het
bodemleven, zeg maar het totaal in massa aan onderwaterleven, is tweemaal
hoger
dan in de Noordzee en vergelijkbaar met de Waddenzee, ons belangrijkste
zoute
natuurgebied.
Wanneer je om je heen kijkt, valt vooral
de zuiverheid op. Hier is absoluut
niets te bekennen van een bedoeling. Alles gebeurt zoals het gebeurt. De
zoute,
serene sfeer van de deinende zee. Ze vertelt haar eigen verhaal, telkens
weer,
in mysterieus gefluister, in rimpels zout geritsel. Een zee kan zingen,
een zee
kan zeker vertellen.
Dat moet zo blijven. Laat die ambtenaren regeltjes maken voor het laatste
gebied in Nederland waar niets geregeld is. Laat ze maar komen met hun
eco-dictatuur. De meeuw en de garnaal hebben hier het recht. Bewaar deze
zilte
majesteit.
Ik stap in m`n kayak en vaar terug, kijk
niet één keer om. Maar eenmaal weer
op de Brouwersdam, tussen de koelboxen en de campers, zie ik dat stille
water
ver weg, waar ik net was. Een diepe somberheid valt over me.
Het grote nadeel van een verbod is natuurlijk het verbod. Dat je er nooit
meer mag komen. In dat heerlijk stukje wildernis. Natuur in Nederland is
alles
achter het prikkeldraad, dat zal mijn kleinzoon op school straks leren.
Maar
hij zal er nooit varen, nooit de zee in zijn bloed zo voelen tintelen.
Vergeet het. En kijk. Want aan de horizon
is geen stukje Aardappelenbult
meer te zien. Wat stervende branding, een laatste flonkering, het wiegende
V-tje van een eenzaam meeuwtje in een lucht van as. De bank verzuipt
alweer. En
een dood zeepaardje drijft weg, naar waar geen mens het ooit nog vindt.
|